Helaas zijn er binnen het ras, zoals bij zovele rassen een aantal aandoeningen die voorkomen. Zonder dat dit een medisch dagboek gaat worden, willen we toch ingaan op een aantal ziektes/aandoeningen die bij de Dobermann voorkomen. HD, PHTVL/PHPV en vWD zijn verplichte testen volgens de regels van de rasvereniging.

Heupdysplasie (HD)

Heupdysplasie (HD) is een door erfelijke factoren en uitwendige invloeden bepaalde ontwikkelingsstoornis van de heupgewrichten. Sommige honden ondervinden hiervan ernstige hinder. Er zijn echter ook honden met meer of minder ernstige misvormingen van de heupgewrichten, die daarvan geen last lijken te hebben. De beoordeling van het gangwerk van deze honden geeft onvoldoende informatie over de toestand van de heupgewrichten.
Meer informatie hierover kan worden verkregen door het maken van röntgenfoto's van de heupgewrichten.

Het beoordelingspanel voor Nederland
Eén van de taken van het HD-panel van de Raad van Beheer, Gezondheid, Gedrag en Welzijn (GGW), is de beoordeling van röntgenfoto's van de heupgewrichten van honden.
De röntgenfoto's, de zogenaamde HD-foto's kunnen in principe door iedere praktiserende dierenarts die een overeenkomst met GGW, heeft gesloten worden gemaakt.
Conform de regels van de F.C.I. dient de hond voor het laten maken van HD-röntgenfoto's minimaal 12 maanden oud te zijn. 

HD-foto's worden gezamenlijk beoordeeld door een in samenstelling wisselend panel van drie deskundige beoordelaars. Een zo objectief mogelijke beoordeling van de foto's die voor de HD-bestrijding onontbeerlijk is, wordt daarmee zo goed mogelijk gewaarborgd.

De beoordeling van HD-foto's heeft ten doel informatie te verschaffen aan fokkers en rasverenigingen die gegevens over heupdysplasie in hun selectieprogramma willen gebruiken.

Röntgenfoto's die bij GGW binnenkomen worden, nadat de beoordelingskosten door GGW zijn ontvangen, in de daaropvolgende week, beoordeeld. De uitslag wordt daarna zo spoedig mogelijk verzonden, tenzij de foto niet aan de technische eisen voldoen.


HD-foto
Voor een goede beoordeling van de heupgewrichten is een röntgenfoto van de hond in rugligging nodig, waarbij de hond exact recht moet liggen. Ter wille van de betrouwbaarheid van de beoordeling worden er hoge eisen gesteld aan de kwaliteit en de documentatie (identificatie) van deze röntgenfoto. Wanneer niet aan deze eisen is voldaan, krijgt de dierenarts die de röntgenfoto heeft gemaakt, daarvan bericht met een aantekening over hetgeen eraan mankeert en met een verzoek om een nieuwe opname te maken.
Een dergelijk verzoek wordt direct na de beoordeling van de röntgenfoto verzonden en is dus uiterlijk twee weken na ontvangst van de foto bij de dierenarts.

Deze moet dan contact opnemen met de eigenaar van de hond om een afspraak te maken voor het maken van een nieuwe HD-foto. Het beoordelen van deze nieuwe foto wordt niet opnieuw in rekening gebracht.

Rapport-Heupdysplasie-Onderzoek
Op het Rapport-Heupdysplasie-Onderzoek treft u de definitieve beoordeling aan, de F.C.I.-beoordeling, en een aantal gegevens die een verklaring geven voor de definitieve beoordeling.

HD A
De aanduiding HD A betekent dat de hond röntgenologisch vrij is van heupdysplasie, wat echter niet betekent dat de hond geen "drager" van de afwijking kan zijn.

HD B
HD B (= overgangsvorm) betekent dat op de röntgenfoto's geringe veranderingen zijn gevonden, die weliswaar toegeschreven moeten worden aan heupdysplasie, maar waaraan in het kader van de fokkerij geen direkte betekenis kan worden toegekend.

HD C en D
De aanduiding HD C (= licht positief) of HD D (= positief) betekent dat bij de hond duidelijke veranderingen, passend in het ziektebeeld van HD zijn gevonden.

HD E
Wanneer de heupgewrichten ernstig misvormd zijn wordt dit aangegeven met HD E (= positief in optima forma).

F.C.I.-beoordeling
De F.C.I.-beoordeling is een weergave van de HD-beoordeling naar een internationaal geldende code, waardoor het mogelijk wordt de HD-uitslagen uit bij de F.C.I. aangesloten landen te vergelijken.


De beoordeling van onderdelen
Bij de beoordeling van HD-foto wordt gelet op de vorm van de heupkommen en de heupkoppen, de diepte van de heupkommen, de aansluiting van de heupkoppen in de heupkommen, en de aanwezigheid van botwoekeringen langs de randen van de heupgewrichten. Informatie over de diepte van de heupkommen en de aansluiting van de koppen in de kommen wordt onder andere verkregen uit de zogenaamde "Norbergwaarde".

De Norbergwaarden van linker en rechter heupgewricht worden bij elkaar opgeteld en geven samen de op het rapport de vermelding "som Norbergwaarden".

Bij een normaal heupgewricht is de Norbergwaarde minstens 15, de som van de Norbergwaarden van beide heupen derhalve minstens 30.
Honden met een te lage Norbergwaarde hebben dus ondiepe heupkommen en/of een slechte aansluiting van de gewrichtsdelen.
Deze honden zullen dus een minder gunstige HD-beoordeling krijgen.

Een normale of zelfs hoge Norbergwaarde betekent echter niet zonder meer dat de betreffende hond goede heupgewrichten heeft.
Een combinatie van diepe heupkommen en incongruentie van de gewrichtsspleet (een niet overal even brede gewrichtsspleet) of onvoldoende aansluiting van de gewrichtsdelen kan, zelfs bij een hoge Norbergwaarde, leiden tot een (licht)-HD-positief beoordeling.

Op het formulier wordt dit duidelijk gemaakt door het aankruisen van "onvoldoende" of "slechte" aansluiting.
Ook wordt informatie over de diepte van de heupkommen verkregen door te beoordelen hoe het centrum van de heupkop ligt t.o.v. de bovenrand van de heupkom.
Naast de Norbergwaarde, de diepte van de heupkommen en de aansluiting van de gewrichtsdelen, wordt de uitslag ook beďnvloed door de aanwezigheid van "bot-afwijkingen".

Er is een rechtstreekse koppeling tussen de ernst van de bot-afwijkingen en de uitslag:
                                
Zeer lichte bot-afwijkingen (1) leiden tot de beoordeling HD B,

Lichte (2) bot-afwijkingen leiden tot de beoordeling HD C,

Ernstige (3) bot-afwijkingen leiden tot de beoordeling HD D.
                                                                         

De aanduiding "vormveranderingen" betreft meestal een meer of minder duidelijke afvlakking van de voorste rand van de heupkom.
De aanwezigheid hiervan wordt wel vermeld, maar heeft indien dit de enige bemerking is over het gewricht, in het algemeen geen doorslaggevende betekenis voor de einduitslag.


De Norbergwaarde
Van beide heupkoppen (1) wordt het middelpunt bepaald en deze middelpunten worden verbonden door een lijn.
In beide heupgewrichten wordt vanuit dit middelpunt een lijn langs de voorste rand van de heupkom (2) getrokken.
De hoek (3) die beide lijnen in het middelpunt van de heupkop met elkaar maken, minus 90, geeft de Norbergwaarde van het betreffende heupgewricht.
De Norbergwaarden van linker en rechter gewricht bij elkaar opgeteld geeft de "som Norbergwaarden", die op het rapport vermeld is.


HD-beoordeling
Alle gegevens samen bepalen de definitieve beoordeling, waarbij het ongunstigste onderdeel uiteindelijk de doorslag geeft.
Een bepaalde HD-beoordeling kan bepaald zijn door uitsluitend de diepte van de heupkommen, door de aansluiting van de gewrichtsdelen, de aanwezigheid van botwoekeringen, of door een combinatie van twee of alle drie onderdelen, en dit is weer te herleiden uit de verschillende gegevens zoals die op het certificaat zijn vermeld.


Het herhalen van HD-onderzoek
Iedere eigenaar kan na verloop van minimaal 1 jaar opnieuw een HD-onderzoek laten verrichten.
De uitslag, die daarbij tot stand komt, zal de eerder gegeven uitslag vanaf dat moment gaan vervangen.

Herhaling van onderzoek heeft in het algemeen slechts zin bij honden, welke op een leeftijd van 1 ŕ 1,5 jaar werden onderzocht, en waarbij een lichtpositieve uitslag op grond van een slechte aansluiting, met al dan niet een bijbehorende lage Norbergwaarde tot stand kwam, terwijl er geen botafwijkingen werden vastgesteld.


Uw hond en HD
Eigenaren van honden waarvan een officiële HD-foto is gemaakt vragen de dierenarts die de foto gemaakt heeft nogal eens naar zijn of haar mening over de toestand van de heupgewrichten. Wanneer de eerste indruk van de dierenarts milder is dan de uiteindelijke definitieve uitslag, kan dit aanleiding zijn tot teleurstelling bij de eigenaar van de hond.
GGW adviseert dierenartsen daarom geen uitspraken te doen over de toestand van de heupgewrichten.
Van honden die niet vrij blijken te zijn van heupdysplasie, maar die hiervan geen uiterlijke verschijnselen tonen, kan op grond van deze foto niet voorspeld worden of ze vroeger of later problemen kunnen krijgen.
Ook wanneer vrij duidelijke misvormingen worden gevonden betekent dat niet dat de hond er beslist last van moet krijgen.
Het is dan wel verstandig erop toe te zien dat de hond niet te zwaar wordt en dat ook anderszins overmatige belasting van de heupgewrichten wordt vermeden.
Dit is vanzelfsprekend wel afhankelijk van de eisen die aan de hond gesteld worden als huishond of als werkhond.
In geval van twijfel kunt u dit met uw dierenarts bespreken.

HD en fokkerij
De HD-beoordeling geeft uitsluitend informatie over de toestand van de heupgewrichten van de individuele hond.
Gegevens over de HD-beoordeling van ouders, nestgenoten en nakomelingen zullen bijdragen tot een nauwkeuriger indruk over de fokwaarde van de betreffende hond.
Het is daarom van belang dat de rasverenigingen over alle uitslagen kunnen beschikken en dat alle HD-foto's die gemaakt worden ook ter beoordeling aan de HD-commissie worden voorgelegd, ook indien door de dierenarts duidelijke afwijkingen aan de heupgewrichten worden gevonden.
Het is wenselijk uitsluitend met HD-vrije honden te fokken, omdat dan de kans op HD bij de nakomelingen het kleinst is.
Bij rassen waarvan maar weinig honden beschikbaar zijn en bij rassen waarin HD vaak voorkomt is dit helaas niet altijd mogelijk.

Bron: Dobermann Vrienden in Nederland


Persisterende hyperplastische tunica vasculosa lentis/primair vitreum (PHTVL/PHPV)

Wat is PHTVL/PHPV?
PHTVL/PHPV is een, op zich, zeldzaam voorkomende, aangeboren oogafwijking. Bij een tweetal rassen is bewezen dat de afwijking erfelijk is bepaald. Binnen deze rassen kwam (voordat er tegen werd geselecteerd, zoals bij de Dobermann) de afwijking wel regelmatig voor.

Als gevolg van een storing in de ontwikkeling blijven er restjes achter van het embryonale lensvaatnetje dat voor de geboorte de achterzijde van de lens van voedingsstoffen moest voorzien. Er blijven minieme restjes (graad 1) van het lensvaatnetje, ook na de geboorte zitten. Bij de ernstige vormen (graad 2-6) blijven er grotere delen achter en gaan zij tevens woekeren.

Wat zijn de verschijnselen?
Om aan te geven in welke vorm de hond de afwijking heeft, zijn gradaties aangebracht, nl.: Onbeslist, graad 1 en de ernstige vormen (graden 2-6). Bij "onbeslist" blijven minieme restjes van het vaatnetje, meestal alleen in één oog, achter op de achterzijde van de lens. Bij graad 1 zijn duidelijker restjes achtergebleven. Zij veranderen niet meer, veroorzaken geen veranderingen aan andere delen van het oog en beďnvloeden het gezichtsvermogen van de hond niet. Zij zijn uitsluitend te zien met behulp van een speciale microscoop. De ernstige vormen (graden 2-6), komen steeds in beide ogen voor. Er blijft een laagje gepigmenteerd, gewoekerd littekenweefsel met vaatresten tegen de achterkapsel van de lens zitten. Daarnaast kunnen de lenzen aan de achterzijde conisch (kegelvormig) zijn misvormd. Bij de ernstige vormen (graad 2-6) heeft het proces een slechte invloed op de lensinhoud, waardoor deze
langzaam troebel wordt (cataract). Dit cataract kan reeds bij de geboorte aanwezig zijn, waardoor de pups direct al blind zijn. Het kan ook gedurende het leven langzaam in ernst toenemen. De weg van het licht naar het netvlies wordt daardoor steeds meer geblokkeerd, de hond kan steeds minder zien en wordt langzaam blind. De afwijkingen doen in ieder geval geen pijn. Soms zijn de pups al blind bij de geboorte en weten niet beter. Als ze geleidelijk blind worden hebben ze rustig de tijd om zich aan te passen. Zij zullen zich in een vreemde omgeving alleen wel vaker gaan stoten.

Wat is de oorzaak?
Door middel van fokproeven en stamboom-onderzoek kon worden aangetoond dat PHTVL/PHPV wordt veroorzaakt door een erfelijke stoornis in de ontwikkeling en de afbraak van het vaatstelseltje aan de achterzijde van de lens, tijdens het eerste deel van de dracht. De afwijkingen konden reeds worden vastgesteld bij vruchtjes op een leeftijd van 30 dagen na de dekking. De afwijking wordt het meest waarschijnlijk veroorzaakt door een niet geslachtsgebonden, niet compleet dominant overervende en in verschillende uitingsvormen voorkomende erffactor. Daarbij wordt tevens aangenomen dat de dieren die van de ene ouder de normale en van de andere ouder de afwijkende erffactoren krijgen (drager of heterozygoot) geen of graad 1 afwijkingen vertonen.

Wat is er aan te doen?
De ernstig afwijkende ogen (graad 2-6) zijn, als zij blind zijn, te opereren. De prognose van de operatie is dubieus (circa 50 %). Als de operatie geen verbetering geeft, blijft de hond blind. De meeste blinde honden kunnen zich echter uitermate goed redden met hun prima neus en oren. Sommige honden worden bang, schrikachtig en soms zelf agressief en daardoor gevaarlijk. In die gevallen blijft er bijna geen andere mogelijkheid over dan euthanasie.

Hoe kan het worden voorkomen?
Om al deze problemen te voorkomen is het veel beter om door fok- en controlemaatregelen te trachten het aantal ernstige gevallen terug te dringen. Pups kunnen al voordat ze naar de nieuwe eigenaar gaan, dus op jeugdige leeftijd (6-8 weken), maar wel na het chippen (of de tatoeage) worden gecontroleerd op de afwijking. Dit is dan weliswaar een voorlopige uitslag, omdat de oogjes dan nog erg klein zijn en daardoor soms zeer lichte afwijkingen over het hoofd kunnen worden gezien.
Door de vroege controle wordt in ieder geval wel voorkomen dat pups met ernstige afwijkingen worden verkocht. Ernstig afwijkende dieren dienen te worden uitgesloten van de fokkerij. Ook hun directe familie (d.w.z. ouderdieren, maar ook nestgenoten) kunnen beter niet meer voor de fokkerij worden gebruikt. Indien het aantal voor de fokkerij beschikbare dieren dit toelaat kunnen Graad 1 en "onbeslist" honden ook beter niet meer worden gebruikt. Gelukkig is door doelmatige bestrijding, het aantal dieren met de afwijking in de afgelopen jaren sterk terug gedrongen.

Bron: Dr. F.C. Stades
Dierenarts, specialist oogheelkunde
Diplomate European College of Veterinary Ophthalmologists (ECVO)


Von-Willebrands Disease Type 1

Achtergrond
vWD is de meest frequente aandoening in bloedstolling. vWD-afwijkingen zijn verantwoordelijk voor problemen met de bloedstolling die variëren van kleine verlenging van de bloedingstijd tot complete afwezigheid van elke vorm van bloedstolling. In totaal zijn zes typen geďdentificeerd, waarbij elk type een verschil heeft in de mate van bloedstolling. De ziekte wordt gekenmerkt door een abnormaal lage productie van de von Willebrand factor, die een onmisbare functie heeft in de bloedstolling.

De ziekte van von Willebrand
Bij de ziekte van von Willebrand (VWD) is er sprake van een verhoogde bloedingneiging door een gestoorde functie van zowel de bloedplaatjes als van een bepaald stollingseiwit in het bloed: de Von Willebrand Factor (VWF).
Hierdoor vindt geen goede bloedstelping plaats, wat inhoudt dat honden met VWD na een verwonding langer blijven bloeden en sneller bloedingen en bloeduitstortingen ontwikkelen.
De ziekte kan bij sommige honden lang verborgen blijven en bijvoorbeeld pas bij een operatie tot uiting komen. Bij andere honden is het echter al bij het wisselen van de melktanden merkbaar.
VWF is een eiwit dat o.a. in het bloed voorkomt met als belangrijkste functie het vastplakken van bloedplaatjes aan een beschadigde bloedvatwand. Op die manier wordt bij verwondingen het beschadigde bloedvat "gedicht".
Von Willebrand factor is een eiwit (glycoproteďne) die word geproduceerd door de bloedplaatjes en door de cellen om het bloedvat. Het is opgebouwd uit verschillende kleinere gebonden eiwitten en de Von Willebrand ziekte treedt op als er een defect is bij één van deze eiwitten.
Wanneer een bloedvat scheurt en bloed lekt, worden er bloedplaatjes naar deze plaats gestuurd om zich te hechten aan de beschadiging om het bloeden te stoppen. Terwijl de bloedplaatjes hun werk doen worden er verschillende bloedverdikkende factoren actief gemaakt wat moet lijden tot de productie van fibrine, het materiaal waaruit littekens zijn opgebouwd, om een meer permanente hechting te vormen.
VWF treed op als lijm door de bloedplaatjes bij elkaar te houden op het gescheurde bloedvat.
VWF zorgt er ook voor dat Factor VIII stabiel blijft, het proteďne dat er voor zorgt dat er fibrine word aangemaakt. Als er een VWF defectis, binden de plaatjes niet goed aan elkaar en zal het ongewenste bloedverlies langer duren.

Er zijn 3 types Von Willebrand.
Bij Type I zijn alle eiwitten om VWF te maken aanwezig maar in zeer kleineaantallen. Dit type komt voor bij de Dobermann Pincher, Schapendoes, Duitse Herder en de Poedel.
Bij Type II ontbreken de grote eiwitten, hierdoor vinden er heviger bloedingen plaats dan bij type I. Dit type wordt gezien bij de Duitse korthaar en de gekrulde Pointers.
Bij Type III zijn er helemaal geen eiwitten aanwezig om VWF te vormen. Deze ernstigste vorm zien we bij Schotse Terriërs, Chesapeake Bay retrievers, Schapendoes.

Het blijft echter niet beperkt te deze rassen. Von Willebrand is bij meer dan 50 honden rassen vastgesteld, ook komt het voor bij katten en mensen.
Doormiddel van een DNA onderzoek is vast te stellen of een hondje vrij is van, drager al dan niet lijder is aan deze ziekte.
Er zijn diverse laboratoria die deze DNA test voorhanden hebben mocht u uw hond willen laten testen.

Materiaal
Voor dit onderzoek worden de volgende materialen geaccepteerd: Bloed (EDTA), Swab.

Doorlooptijd
U kunt het resultaat normaal gesproken binnen 10 werkdagen verwachten.

Bron: v. Haeringen Laboratorium



Cardiomyopathie bij de Dobermann

Sinds december 2007 is Rob Gerritsen, specialist Interne Geneeskunde van het Gezelschapsdier, officieel toegelaten tot het Collegium Cardiologicum (CC). Dit gezelschap van Duitse veterinair cardiologen ontwikkelde, aanvankelijk op verzoek van de Boxervereniging, een standaard voor hartscreening in Duitsland, die inmiddels internationaal de nodige aandacht heeft getrokken.
Voortaan kunnen Nederlandse fokkers in hun eigen land terecht voor CC-erkend onderzoek in het kader van de fok.
Onderstaande een korte beschouwing over de specifieke problematiek van het ras.

Bij de voorbereidingen voor dit artikel, realiseerde ik me ineens dat ik me aan het eind van de jaren '80, als specialist in opleiding, al eens intensief bezig heb gehouden met het onderwerp cardiomyopathie (DCM) bij de Dobermann. Tijdens mijn opleiding tot internist had ik namelijk al snel een bijzondere belangstelling en interesse voor de cardiologie opgevat. Dit resulteerde in het
schrijven van een onderzoeksaanvraag voor de Nederlandse Hartstichting met als onderwerp Cardiomyopathie bij de Dobermann Pinscher. Dit onderzoek kwam toen echter niet van de grond, maar de theoretische studie die aan het schrijven van deze aanvraag ten grondslaglag, heeft me later veel plezier opgeleverd.

Al vanaf het begin van de jaren '80 was bekend dat bij de Dobermann een nare ziekte kon optreden, waarbij een dier ineens dood kon neervallen dan wel een lijdensweg van hijgen, hoesten en een verminderd uithoudingsvermogen, al dan niet met een dikke buik, tegemoet ging. Echocardiografisch onderzoek stond in die tijd nog in de kinderschoenen. De diagnose werd veelal op basis van
lichamelijk onderzoek, röntgenfoto's en een ECG bij leven gesteld. Na het overlijden werd bij sectie dan een vergroot hart aangetroffen. Vooral de linker helft van het hart vertoonde een dunne spierwand -in plaats van de dikke spierwand die de linker harthelft zo kenmerkt -vaak in combinatie met een (ten gevolge van lekkage van kleppen) vergrote linker boezem. De longen toonden steevast een beeld van stuwing: vergroot en stevig als gevolg van vochtophopingen. Nu geldt in mijn vak dat waar vocht zit, geen lucht aanwezig kan zijn. De vaak heftige benauwdheid kon met dit beeld volledig worden verklaard. Op microscopisch niveau tenslotte, zagen we veelal minder spiercellen en meer of minder littekenweefsel, dat de plaats van gezonde hartspiercellen had ingenomen.
Met de ontwikkeling van steeds fraaiere echoapparatuur werden de theorieën over hoe de ziekte zich vanaf het begin af aan ontwikkelde, steeds verder verfijnd. Eerst ontstaat een lichte verwijding van het linkerhart in ontspannen fase (diastolae); hierna langzaam ook een vergroting in de aangespannen fase (systolae) met op den duur ook een verdunning van de scheidingswand
(septum) en vrije linkerkamerwand. Door de verwijding ontstaat een zichtbare lekkage van de kleppen tussen de linker kamer en -
boezem met een zichtbare verwijding van laatst genoemd compartiment tot gevolg. Dit kan een elektrisch instabiele linker boezemwand genereren, wat weer aan de basis staat van een ritmestoornis die we atrium-of boezemfibrilleren noemen. In dit stadium toont de hond zich echt ziek.

Doordat de registratie van overleden dieren met een duidelijk vastgestelde doodsoorzaak (liefst door middel van pathologisch onderzoek) nooit echt van de grond is gekomen in de Diergeneeskunde heeft de cardiomyopathie zich onder een aantal rassen, waaronder de Dobermann, zich als een inktvlek kunnen uitbreiden. Vandaar dat er behoefte ontstond om te zien of niet
vroegtijdig de risico-dieren konden worden geduid, opdat die van de fokkerij konden worden uitgesloten. Want één van de grote problemen van de ziekte is zonder meer dat deze zich pas ontwikkelt tijdens het leven. De ziekte is niet al op jonge leeftijd waarneembaar, zoals bij veel andere hartaandoeningen (denk bijvoorbeeld aan aorta stenoses bij de Boxer). Met name in Canada is,
onder leiding van Dr. Calvert, in de jaren '90 veel onderzoek gedaan naar het opsporen van zogenaamde vroegtijdige 'verklikkersymptomen' , die een voorspellende waarde hebben op de vraag "Welke dieren hebben een grotere kans om cardiomyopathie te ontwikkelen dan andere?" Calvert vond met zijn onderzoeksgroep een belangrijke 'verklikker'. Hij ontdekte namelijk dat honden die
gedurende een 24 uurs registratie van de hartelectriciteit (een zogeheten 24 uurs ECG registratie of 24 uurs Holteronderzoek) meer dan een bepaald aantal extra slagen van één of twee verschillende categorieën laten zien, buiten het normale ritme om, een aanzienlijke kans lopen om cardiomyopathie op latere leeftijd te ontwikkelen.

In Duitsland is het Collegium Cardiologicum vanaf 2004 betrokken bij het systematisch onderzoek naar hartaandoeningen bij verschillende hondenrassen. Via het VDH, het Verband für das Deutsche Hundewesen, waarbij alle Duitse rasverenigingen zijn aangesloten, is hartonderzoek verplicht gesteld voor toelating als fokdier, bij onder meer Ierse Wolfhonden, Boxers maar ook de Dobermann.
De testresultaten worden bijgehouden in een centrale database, die beheerd wordt door het CC maar ook toegankelijk is voor de fokkerij. De bijzondere samenwerking tussen het CC en de VDH leidt ertoe dat men snel inzicht denkt te gaan krijgen in de prevalentie van hartziekten in een populatie (met andere woorden: 'hoe vaak komt het probleem voor).
Door een pannel van deskundigen is toen vastgesteld dat een dergelijk screenend onderzoek voor de Dobermann de volgende elementen zou moeten omvatten: een lichamelijk onderzoek, een ECG, een uitgebreid echo-onderzoek en een 24 uurs Holteronderzoek.

Alle resultaten worden beoordeeld, strafpunten worden toegekend voor bepaalde afwijkingen die duiden op, of een voorbode kunnen zijn voor, cardiomyopathie. Bij een te groot aantal strafpunten wordt een hond uitgesloten van de fokkerij.
Kortgeleden is de eerste Dobermann op De Kompaan met goed gevolg door de test heen gekomen. Overigens zal de test op gezette tijden herhaald dienen te worden. Want dat is het verraderlijke van deze aandoening: 'eens goed' betekent helaas niet 'voor altijd goed'.
Waakzaamheid tijdens het leven blijft geboden!

Drs R.J. Gerritsen
Veterinair internist/cardioloog
Meer achtergrondinformatie en de lijst van erkende testadressen is te vinden op de website van het CC:
www.collegium-cardiologicum.de


 

Kleurvererving bij de Dobermann.

Kleurvererving is geen zaak van het toeval, maar is als vererving van alle erfelijke eigenschappen, gebaseerd op vaste regels. Voor de praktijk betekent dit dat het mogelijk is om met enige kennis van de twee honden waarmee men fokt, in vaal gevallen van te voren te voorspellen hoe de THEORETISCHE kleursamenstelling van het te verwachten nest zal zijn.

Het woord theoretische staat hier groot getikt omdat het hier net is als met het werpen van een dobbelsteen; theoretisch zal elke zijde één op de zes maal bovenkomen, maar toch is het mogelijk om bijvoorbeeld viermaal achtereen een vijf te gooien. Evenzo kan een nest van tien pups dat volgens de theorie voor 80% uit zwarte en voor 20% uit bruine pups moet bestaan, bijvoorbeeld zeven bruine en drie zwarte pups bevatten. Ondanks de willekeur van het lot kan een nest met deze theoretische voorspelling nóóit blauwe of isabel- kleurige pups bevatten en over het geheel genomen (bijv. wanneer men een teef meerdere malen door dezelfde reu laat dekken en de kleur- samenstelling van de verschillende nesten optelt) zullen de theoretische percentages dicht benaderd worden.

De Erfelijkheidsdragers.

Het lichaam is opgebouwd uit cellen. Elke cel bevat een celkern en deze kernen bevatten chromosomen; microscopisch kleine staaf- en draadvormige structuren, waarvan er twee steeds naast elkaar liggen en identiek zijn naar opbouw en vorm. Een paar van die gelijkvormige chromosomen noemt men homologe chromosomen. Bij de hond bevat de celkern 78 chromosomen of 39 paar. Alleen de geslachtscellen (de eicel bij de teef en de zaadcel bij de reu hebben 39 "enkele" chromosomen. Elke chromosoom is opgebouwd uit nog kleinere eenheden: genen (enkelvoud is gen), waarop de erfelijke aanleg voor eigenschappen, populair gezegd, als het ware in code is vastgelegd. Genen noemt men dus wel erfdragers. De genen in twee homologe chromosomen liggen tegenover elkaar en wanneer een gen in chromosoom A. van een paar, bijv. de aanleg voor kort haar draagt, vindt men op dezelfde plaats in chromosoom B. van het paar de aanleg voor lang haar vast gelegd. Genen met hun tegenhangers op het andere chromosoom van een paar, noemt men allelen. De plaats waar een gen binnen het chromosoom ligt, noemt men locus (meervoud is loci).

Bij de bevruchting vermengen zich in de kiemcel (het begin van de vrucht) de 39 enkele chromosomen van de zaadcel met de 39 van de eicel en wel zodanig dat zich weer precies bij elkaar - naar opbouw en vorm- passende homologe paren vormen. De vrucht ontvangt van ieder van de ouders dus evenveel aanleg voor erfelijke eigenschappen. Een hond is fokzuiver of homozygoot voor een bepaalde eigenschap, wanneer hij/zij van de vader en moeder DEZELFDE factoren voor de eigenschap heeft geërfd. Een hond is fokonzuiver of heterozygoot, wanneer hij/zij van de vader ANDERE factoren dan van de moeder voor die eigenschappen heeft geërfd. In de erfelijkheidsleer gebruikt men een lettercode om eigenschappen aan te duiden; minstens twee letters per kenmerk.

Genen die een dominante eigenschap dragen, worden aangeduid met een hoofdletter. Genen die een recessieve eigenschap dragen, worden aangeduid met een kleine letter. Een eigenschap is dominant, wanneer zij de tegengestelde eigenschap overheerst. Een eigenschap is recessief, wanneer zij door de tegengestelde eigenschap wordt overheerst.

Omdat de aanleg voor kort haar dominant is, betekend dit in het geval van het hiervoor gegeven voorbeeld, dat dit gen wordt aangeduid met een hoofdletter. Het gen met de aanleg voor lang haar wordt dus omschreven met een kleine letter. De aanleg voor lang haar is bij deze hond - aan de buitenkant onzichtbaar- dus wél aanwezig, maar door de aanwezigheid en "overheersing" van het dominante gen voor kort haar, kan de recessieve factor zich niet tonen, m.a.w. deze hond is kortharig. De hond is bovendien fokonzuiver voor kort haar.

De Vachtkleur.

Clarence Little geeft aan de vachtkleur met het z.g. "black & tan patroon" van de Dobermann, een gecompliceerde formule:

aaBBCCDDEEggmmSSTT. Al deze letters geven een bepaald kenmerk aan. Omdat de Dobermann raszuiver is, kan de formule vereenvoudigd worden tot: aBCDEgmST (de helft).

Volgens Little zijn circa 30 genen bij de haarkleur vererving betrokken. In feite zijn er tien loci, waarop de genen die de haarkleur bepalen gelegen zijn. Zes daarvan worden bezet door twee allelen, de andere vier of vijf z.g. multiple allelen. (meerdere allelen die samen één kenmerk dragen).

Een korte verklaring van de belangrijkste met de formule aangeduide genen.

De kleine letter a van het A- locus dat een reeks van vijf multiple allelen telt a veroorzaakt het typische patroon van de Dobermann en b.v. Rottweiler.

De hoofdletter B van het B- locus dat allelen telt:

B = zwart

b = z.g. leverkleurig (bruin, geel enz.)

De bruine en isabel- kleurige Dobermanns hebben dus de kleine hoofdletter in de formule.

De hoofdletter C van het C- locus dat vier of vijf multipleallelen telt. 

C veroorzaakt een volledige pigmentering.

De recessieve genen veroorzaken verschillende stadia van bleekgeel (Labrador) tot albinisme.

De hoofdletter D van het D- locus dat twee allelen telt:

D = intensieve pigmentering.

d = z.g. verdunning: zwart wordt blauw en bruin wordt isabel.

Blauwe en isabel- kleurige Dobermann's hebben hier de kleine letter in de formule.

De hoofdletter E van het E- locus dat vier multiple allelen telt.

E staat een evenredige verdeling van donker pigment toe.

De letter S van het S- locus dat vier multiple allelen telt.

Het dominante gen S voorkomt vorming van wit. Er zijn hoogstens kleine witte vlekjes op de borst of de voeten van de hondmogelijk.

De recessieve genen zorgen voor de kleur van de wit- bonte honden. Hieruit blijkt dus dat het onmogelijk is om witte borst- en teenvlekjes bij de Dobermann uit het ras te fokken. Ondanks selectie zullen de vlekken blijven optreden.

De kleine letter t van T- locus dat twee allelen telt. Het dominante gen T veroorzaakt donkere vlekken, echter alleen op een witte ondergrond (Dalmatiner).

Voor de praktijk zijn deze gegevens niet bruikbaar, tenzij... men de Dobermann met andere rashonden wil kruisen, in welke geval het door de onderlinge dominante en recessieve verhoudingen, heel goed mogelijk blijkt om van te voren een nauw- keurige voorspelling te doen, hoe de kleursamenstelling van het eerste nest zal zijn.

De Dobermann komt voor in vier ver- schillende kleuren, die veroorzaakt worden door erffactoren, aan te duiden met de letters B en D:

BD = zwart Bd = blauw

bD = bruin bd =isabel

Als deze factoren (via ei- en zaadcel) in de kiencel samen- smelten, ontstaan er negen verschillende mogelijkheden.

Voorbeeld.

BD + BD = BBDD = zwart, fokzuiver

Bd + bD = Bbdd = blauw, fokonzuiver

bd + bD = bbDd = bruin, fokonzuiver

bd + bd = bbdd = isabel, fokzuiver

De volledige mogelijkheden zijn samengevoegd in het schema:

fokzuiver fokonzuiver

ZWART BBDD BbDD BBDd BbDd

BLAUW BBdd Bbdd -- --

BRUIN bbDD bbDd -- --

ISABEL bbdd -- -- --

Bij een kruising tussen twee honden met een verschillende kleurcode van beide honden bekend is precies de kleur- samenstelling van het te verwachten nest opschrijven:

Voorbeeld.

REU TEEF

fokonzuiver bruin fokonzuiver blauw

bbDd Bbdd

Geeft als factoren Geeft als factoren

aan zaadcellen: aan de eicellen:

bD of bd Bd of bd

Nageslacht:

bD + Bd = BbDd = fokonzuiver zwart = 25%

bD + bd = bbDd = fokonzuiver bruin = 25%

bd + Bd = Bbdd = fokonzuiver blauw = 25%

bd + bd = bbdd = isabel fokzuiver = 25%

Isabel kan alleen ontstaan, wanneer de bd factor door beide ouders aan de vrucht wordt gegeven, isabel is dus altijd fokzuiver.

Als de kruising uit het voorbeeld acht pups zou opleveren, zouden er volgens de theoretische voorspelling 2 zwart, 2 blauw, 2 bruin en 2 isabel moeten zijn.

Op deze wijze kunnen nu 45 theoretische mogelijk kleurkruisingen opgesteld worden.

Het is duidelijk dat het overzicht van de kleur kruisingen in de praktijk alleen gebruikt worden, als de kleurcode van de ouders bekend is. Kent men van een blauwe of bruine Dobermann de al dan niet fokzuiverheid, dan kent men meteen de kleurcode. Veel moeilijker valt deze bij een zwarte Dobermann te bepalen, omdat er drie verschillende vormen van fokonzuiverheid voor zwart zijn.

Bestudering van het overzicht brengt aan het licht dat:

1.wanneer één van de ouders (of beiden natuurlijk) fokzuiver voor zwart is, er uitsluitend zwarte pups geboren kunnen worden.

2.Wanneer één van de ouders fokzuiver voor bruin is, er alleen en/of zwarte pups kunnen komen.

Het optreden van blauw en isabel kleurig nageslacht (bij kruisingen met bruine en zwarte honden) is dus het bewijs dat BEIDE ouders fokonzuiver voor hun kleur zijn.

Hoewel het kan voorkomen dat een fokker voor een bepaalde kleursamenstelling van een te verwachten nest, voorkeur zal hebben, vindt men het meestal niet erg belangrijk hoeveel bruine pups er tussen de zwarte zitten en ook het incidenteel voorkomen van een blauwe pup zal zelden betreurd worden, ook al vindt men voor een -minder mooi gekleurde- blauwe Dober dikwijls minder makkelijk een adres. Het optreden van isabel kleurig nageslacht zal meestal wél als verlies worden opgevat, aangezien deze kleur o.a. in ons land voor de Dobermann niet erkend is.

Het overzicht van de kleurkruisingen geeft aan dat de isabel kleurige pups alleen geboren kunnen worden uit de volgende drie kruisingen (afgezien van kruisingen met blauwe en isabel kleurige honden).

fokonzuiver zwart BdDd x BbDd = 63% isabel

fokonzuiver zwart BbDd x fokonzuiver bruin bbDd = 122% isabel

fokonzuiver bruin bbDd x bbDd = 25% isabel.

Door deze kruisingen te vermijden, kan het optreden van de ongewenste isabel kleur dus voorkomen worden. Hoe kan men zich hier in de praktijk aan houden?

In feite kan men niets anders doen dan de kans op fokzuiverheid van de teef te schatten.
In vele gevallen kan men deze aan de hand van de kleuren van de ouders en nestbroertjes en zusjes, zelfs direct vaststellen. Hiervoor later meer. Heeft men echter geen idee of de hond fokzuiver of fok onzuiver is dan kan men het beste geen gebruik maken van de dekdiensten van een reu die -met eerdere nesten- bewezen heeft fokonzuiver zwart BbDd of fokonzuiver bruin bbDd te zijn.

Lijnrecht tegenover dit advies, staat echter de volgende mogelijkheid om door een soort experimenteel- nest. de fokzuiverheid en kleurcode van een teef te bepalen.

In de praktijk blijkt namelijk vrijwel onmogelijk om de fokzuiverheid of fokonzuiverheid van een bruine (en blauwe) Dobermann te bepalen. De enige zekerheid valt te verkrijgen, door de bruine hond te kruisen met een bruine partner die met eerdere nesten aantoonde fokonzuiver voor bruin te zijn.

Bestaat het uit de kruising resulterende nest uit alleen maar bruine pups, dan is de hond vermoedelijk fokzuiver, bevat het nest echter ook maar één isabel kleurige pup, dan is de hond voor 100% zeker fokonzuiver (bbDd x bbDd geeft theoretisch 25% isabel).

Hoewel het in de theorie wel een leuke methode lijkt, betwijfel ik of iemand vanwege het isabel risico, ooit tot deze kruising zal overgaan.

Een soortgelijke kruising kan men toepassen bij een zwarte hond, waarvan men de fokzuiverheid en kleurcode niet kan bepalen.

Men kruist deze hond met een zwarte partner, die eerder aantoonde fokonzuiver zwart BbDd als kleurcode te hebben. Uit de kleursamenstelling van het nest, valt nu het volgende af te lezen.

1. uitsluitend zwarte pups: de hond is waarschijnlijk fokzuiver zwart BBDD.

2. bruine en eventueel ook zwarte pups: de hond is vermoedelijk fokonzuiver zwart BbDD. (of BbDd).

3. blauwe en eventueel ook zwarte pups: de hond is vermoedelijk BBDd (of BbDd).

4. isabel kleurige pups naast eventuele zwarte, bruine of blauwe pups: de hond is voor 100% zeker fokzuiver BbDd.

Bij de mogelijkheden 1,2 en 3 mag men voor "vermoedelijk gerust ook "heel misschien" of "hopelijk" lezen, want deze regels zijn pure theorie. De eerste drie mogelijkheden kunnen immers heel goed door het toeval niet hun theoretische voorgeschreven samenstelling hebben. Zou men deze kruising honderd maal toepassen, dan zouden de cijfers de theorie ongetwijfeld zeer dicht benaderen. In de praktijk blijkt het lot de serieuze fokker niet altijd ter wille te zijn.

Als een nest bijv. volgens de theoretische voorspelling 63% isabel moet bevatten (BbDdxBbDd), is het heel aannemelijk dat bij een aantal van zes of zeven pups, geen van hen de isabel kleur zal hebben. Pas bij 16 pups zou theoretisch een van hen isabel kleurig moeten zijn. Zodoende is het zelfs denkbaar, dat wanneer een BbDd- teef altijd -zeg vijfmaal- in haar leven door dezelfde BbDd- reu gedekt wordt, er bij een totale "opbrengst" van bv. veertig pups, toch geen isabel kleurig komt.

Hiervan is het logisch gevolg dat men deze teef een andere (verkeerde) kleurcode toedenkt.

Door ook de geen isabel kleurig nageslacht bevattende nesten van de dek reu te bestuderen, kan men een interessante ontdekking op het gebied van de isabel vererving doen.

Bijvoorbeeld als een zwarte reu die bij verschillende "bewezen BbDd en bbDd teven" nooit isabel kleurige pups verwekte, een bruine teef dekt, en het daaruit resulterende nest minstens één bruine en één blauwe pup bevat. Met dit resultaat geeft de reu meteen z'n ware kleurcode identiteit prijs:

BbDd en hij is dus wel degelijk in staat om ook isabel kleurige pups te geven.

De meest eenvoudige manier om de fokzuiverheid van een zwarte hond vast te stellen is deze te kruisen met een bruine partner. Zijn alle pups uit het nest zwart, dan bestaat er een grote kans dat de teef fokzuiver zwart is, bevat het nest echter ook maar één anders dan zwart gekleurde pup, dan is zij fokonzuiver voor haar kleur.

Door bestudering van het overzicht van de 45-kruisingen kan men echter ook vóór het eerste nest van een hond, dikwijls al veel zeggen van de kans op fokzuiverheid.

Enige voorbeelden: Een zwarte hond met een bruine vader of moeder kan nooit fokzuiver zwart zijn. Heeft een zwarte hond een isabel kleurige nestgenoot, dan is de kans op fokzuiverheid voor zwart slechts 63%. Heeft een zwarte hond een blauwe nestgenoot, dan varieert de kans op fokzuiverheid tussen de 63% en 25%.

Hoewel er in veel gevallen vraagtekens en onduidelijkheden over de resultaten zullen blijven bestaan, hoop ik toch te hebben aangetoond dat een serieuze benadering van de kleurvererving dikwijls voordelen kan opleveren.

Bron: http://www.tamaska.nl/Honden/hond.html
.